Analyse aan houtvondsten
...
bepalen van de houtsoort
Iedere houtsoort
heeft zijn specifieke kenmerken zoals de vorm van de houtvaten en de
opbouw van de houtstralen. In tegenstelling tot ‘levende bomen’,
waar ook de groeivorm, de vorm van de bladeren en de schors een rol
spelen bij de soorten herkenning, kunnen archeologische houtvondsten
vaak slechts met behulp van een microscopische analyse op soort worden
gedetermineerd. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een doorvallend lichtmicroscoop
met vergrotingen variërend van 25x tot 400x. Wanneer op de houtvondst
nog bast kan worden waargenomen, is het veelal mogelijk het kapmoment
van de boom te bepalen. Gekeken wordt naar de celspecifieke kenmerken
van de laatst gevormde jaarring: Vaten die in het najaar zijn gevormd
verschillen qua grootte en dikte van de celwanden van voorjaarsvaten,
wanneer de sapstroom weer op gang komt. Ook dit fenomeen verschilt per
houtsoort. Voor de archeologische interpretatie van structuren kan dit
een aanvulling zijn, bijvoorbeeld voor vragen of een structuur in één
keer is aangelegd of dat er sprake is van meerdere aanlegfasen of reparatiefasen.
... jaarringonderzoek
Ook dit deel van
het houtspecialistische onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van een
doorvallend lichtmicroscoop. Gekeken wordt naar het aantal jaarringen,
de opbouw van het jaarringpatroon en naar morfologische verschijnselen
van de laatst gevormde jaarring (zie ook onder analyse). Het onderzoek
verschaft informatie over de leeftijd van de boom waarvan het hout is
gebruikt en het kapmoment. Het kan gegevens over houtmanagement opleveren,
over regelmatige kapcycli (waarbij hout o.a. voor vlechtwerkconstructies
blijkt te zijn gekapt).
... bewerkingssporen
Op voorwerpen en
op bouwhout worden vaak sporen van bewerking waargenomen. Aan de hand
van de vorm van deze sporen, zoals de diepte, breedte, lengte etc. zijn
uitspraken mogelijk over de manier van bewerking en het gereedschap
wat erbij aan de pas kwam. Zo laat een bijl andere sporen achter als
een dissel. Ook kan worden gekeken of het hout is gekloofd of gezaagd.
Naast informatie over gereedschap, timmermanstradities en houttechnologie
kan het onderzoek naar bewerkingssporen ook helpen structuren te faseren.
Een voorbeeld hiervan is de aanwezigheid van braamsporen. Een braam
is een beschadiging op het snijvlak van een bijl of dissel. Dit soort
beschadigingen laten unieke afdrukken op het hout achter. Wanneer een
patroon binnen verschillende structuren kan worden waargenomen, is het
hout met een en hetzelfde bijl bewerkt en zijn de structuren in de meeste
gevallen gelijktijdig aan elkaar.
...
gebruikssporen
Op sommige houten
vondsten zijn sporen zichtbaar, die door het gebruik zijn ontstaan.
Te denken valt aan krassen, scheuren en duikjes in het hout, bewust
of onbewust aangebracht door de gebruiker. Een voorbeeld zijn de touwindrukken
in de schors van een stam, zoals gevonden op palen van de opgraving
van de Romeinse limesweg in Vleuten - De Meern, of aan de snij sporen
van een mes op een gedraaid houten napje. Deze sporen vertellen over
de gebruiker, vaak ook over de tijdsduur van het gebruik, soms ook over
hergebruik en de herkomst van de houtvondst.
top